Een wandeling door de belangrijkste straten en pleinen van ’s Gravenhage anno 1837

Een wandeling door de belangrijkste straten en pleinen van ’s Gravenhage

anno 1837

‘s-GRAVENHAGE of DE HAAG is ontegenzeggelijk eene stad, welke om hare eigene schoonheid en -die harer omstreken vermaard is. Het groot aantal aanzienlijke gebouwen, dat men er aantreft, de, pleinen, straten en grachten, welke, voor het meerendeel, met boomen beplant zijn en bijkans zoo vele wandelingen uitmaken, bieden bekoorlijke en soms zelfs zeer schilderachtige gezigtspunten aan; daarbij heeft men, door de nabijheid van het Bosch, van het dorp Scheveningen en al de schoons wandelingen om de stad, op eene kleine uitgestrektheid, de genietingen des landlevens, de aangenaamheden van eene stad en het ontzagwekkend schouwspel van den Oceaan. Vroeger gaf men aan ’s Gravenhage den naam van het grootste dorp der, wereld; te dier tijde was die naam gegrond; doch thans is ’s Gravenhage eene der voornaamste steden des Rijks, de zetel van den Koning, en deszelfs gezin, benevens van de hooge Landsregering; daarom is het echter geenszins de hoofdstad der Nederlanden, gelijk de meeste vreemdelingen meenen.

Het Bosch, aan de noord-oostzijde van ’s Gravenhage gelegen, maakt een van deszelfs grootste sieraden uit; hetzelve is eene soort van klein woud van hoog geboomte; van dit bosch, hetwelk lang vóór de stad bestaan heeft, ‘s-Gravenhage misschien deszelfs naam ontleend. De lengte van dit bosch, van de gracht die hetzelve van de stad afscheidt, gerekend, zal een half-, en deszelfs breedte een vierendeeluurs bedragen. Uit hetzelve voeren drie groots lanen steêwaarts; wij zullen ons thans met de middellaan, die op den ingang in de stad, het Kleine Voorhout geheeten, uitloopt, bezig houden.

Wanneer men door deze schoone en breede laan in de stad komt, heeft men ter regterzijde een uitgestrekt veld, de Maliebaan genoemd, alwaar wapenschouwingen en krijgsoefeningen der bezetting worden gehouden; aan den linkerkant der laan ziet men een groot hertenpark , met eene rastering omgeven, ter herinnering aan de jagt, welke oudtijds in deze streken sterk geoefend werd.
Deze toegang der stad is sinds weinige jaren ongemeen verfraaid; in stede van eene zware en enge ophaalbrug, een overblijfsel van een oud verdedigingsstelsel, heeft men thans eene vrij smaakvolle, en in den nieuwerwetschen stijl aangelegde brug, de
Konings- of Boschbrug geheeten, welke naar het Kleine Voorhout leidt. Wanneer men dezelve overschrijdt om de stad binnen te komen, laat men ter regter- en linkerzijde de schoone gracht, onder den naam van Prinsessegracht bekend.
De gebouwen, welke men op de afbeelding ziet, maken de zuidzijde van de aanvallige, met twee reijen kastanjenboomen beplante laan,
het kleine Veerhout, uit.
Het eerste gebouw, op den hoek van dit Voorhout en de Prinsessegracht, werd eertijds door den Raad-Pensionaris VAN SLINGELANDT, een beroemd vaderlandsch Staatsman, bewoond, later, door de beroemde geleerden MEERMAN, vader en zoon, die aldaar hunne zoo talrijke als rijke boekverzameling vestigden. Na den dood van den laatsten telg uit dit geslacht van geleerden, verkreeg dit gebouw, door Z.M. den Koning aangekocht, verscheiden andere bestemmingen, en werd onder anderen door verschillende voorname personaadjen bewoond.
Het hôtel, hetwelk men, na den tuin van dit hoekgebouw, bereikt, is het paleis van Z.K.H. Prins FREDERIK DER NEDERLANDEN; hetzelve is in eenen eenvoudigen, maar fraaijen trant gebouwd, heeft twee en dertig vensters in den voorgevel en werd van 1825 tot 1828 opgetrokken: het inwendige is rijk versierd en bevat eene uitgestrekte en prachtige danszaal.
Het aan het paleis belendende hôtel is dat, alwaar de bureaux van het provinciaal bestuur (van Zuid-Holland) gevestigd zijn.

Korte Voorhout - Toernooiveld

fig2

Langs de rei voortgaande, komt men aan den Schouwburg.
Dit fraai gebouw werd in 1767 door den Prins van NASSAU WEILBURG, die de zuster van den laatsten PrinsStadhouder huwde, gesticht; hetzelve is slechts een gedeelte van het paleis dat hij wilde oprigten; nadat zes jaren daaraan gearbeid was, werd het oorspronkelijk plan opgegeven, verliet de Prins het land, en in 1795 werd dit gebouw door de regering aan de domeinen getrokken. In 1804 werd hetzelve aan eene maatschappij van deelhebbers afgestaan, ten einde daarin eene Schouwburg-Zaal te bouwen, welke, hoezeer niet tot de grootste behoorende, een vrij bevallig aanzien heeft. De voorgevel van het gebouw is in hardsteen opgetrokken; hetzelve heeft twee vleugels met een inwaarts middenrond.

Op dezen Schouwburg, welke den naam van Koninklijke voert, worden beurtelings voorstellingen in het Nederduitsch en Fransch gegeven.
Eenige weinige schreden verder komt men aan de Lange Houtstraat; in het hoekhuis is de Groote Societeit gevestigd, welker leden tot de aanzienlijkste klassen behooren.
Genoemde straat latende liggen, bereikt men het Tournooiveld, een plein, welks naam reeds genoegzaam deszelfs oorsprong aanduidt. Onder de huizen, welke zich langs deze rei vertoonen, verdienen twee vermelding, wegens de betrekking, waarin zij tot de oorspronkelijke bestemming van dit Plein gestaan hebben.
Het hôtel in het midden daarvan is de Oude Doelen, of van St. Joris; dat hetwelk den westelijken hoek van het Tournooiveld uitmaakt, is de Nieuwe Doelen, of van St. SEBASTIAAN.
Doelen worden in de Nederlanden genoemd, wat men in eenige streken van Frankrijk door But en Berceau verstaat; het zijn openbare plaatsen, alwaar met voet- en handboog of met de bus geschoten wordt; men vindt zoodanige Doelen in bijkans alle steden van Holland, ieder waarvan een Schutsheilige heeft. De St. JorisDoelen werd, zoo men beweert, omstreeks het einde der XIIIe eeuw, door FLORIS V, Graaf van Holland, gegrondvest, en dagteekent derhalve reeds van oudsher.
De Staten van Holland hielden, van 1581, af, in dit gebouw van de Broederschap van St. Joris hunne zittingen, en zulks gedurende verscheiden opvolgende jaren. In 1780 werd de gevel van hetzelve, mitsgaders het torentje van het gebouw, vernieuwd.
Verscheiden beroemde toonkunstenaren en zangers hebben, nu en dan, concerten in de groote fraaije zaal van dit hôtel gegeven, en dezelfs tuin heeft meermalen, tijdens de prachtige jaarlijksche kermis van deze hofstad, tot Vauxhall gediend. Het gebouw is daarenboven een der voornaamste Logementen van ‘sGravenhage, alwaar steeds aanzienlijke reizigers hunnen intrek hebben genomen. De schoone gelegenheid heeft hetzelve ook tot plaats van vertrek voor verscheiden Diligences doen verkiezen.
De beschrijving van den Nieuwen Doelen tot de tweede aflevering uitstellende, zullen wij thans nog aanmerken, dat de Schutterij of gewapende burgerij in de Nederlanden, welke den lande gewigtige diensten bewezen heeft, haren oorsprong aan de inrigting van de Broederschappen der Doelen verschuldigd is. De Broederschap van St. JORIS bestaat, ofschoon deszelfs aanvankelijke instellingen gewijzigd zijn, nog ten huidigen dage. Door verschillende Souvereinen, onder anderen door FILIPS II, begunstigd, wegens de diensten, die zij bewees; doch de gewelddadige handelingen van den Hertog van ALBA in deze landen niet kunnende verduren, koos zij de partij der Staten, en later werden hare leden tot ridders verheven. WILLEM III en de hem opvolgende Stadhouders, plaatsten zich aan derzelver hoofd. Deze broederschap gaf gedurende de tijden van onrust, welke het vaderland beroerde, geen teeken van leven en dus van 1795 tot in 1813, bij de wedergeboorte van ons volksbestaan.
Elk schrikkeljaar, den 29 Februarij, is voor het houden van eene algemeene vergadering der ridders bestemd, die een ordeteeken, voorstellende St, Joris die den draak velt, dragen, en wel naar hunnen rang om den schouder hangende, of op de borst.


’s Gravenhage
tweede gedeelte

Gelijk wij bereids gezegd hebben, is het gebouw op den westhoek van het Tournooiveld en op den noordkant van den Korten Vijverberg, welken men in het verschiet ziet, het hôtel van den Nieuwen Doelen. ’s Gravenhage is dit fraai gebouw aan de vrijgevigheid van den Prins-Stadhouder FREDERIK HENDRIK verschuldigd; zijn zoon, WILLEM II, legde den eersten steen van hetzelve, gelijk vermeld is in het opschrift, hetwelk in de lijst van den voorgevel wordt aangetroffèn. Kort na de voltooijing van dit hôtel, werd de gewapende burgermagt, of de Schutters van ST. SEBASTIAAN, welke tot dien tijd in een gebouw, Doelenhuis genoemd, naast den ST. GEORGE- of ST. JORIS-Doelen gevestigd waren geweest, hierin geïnstalleerd, en het nieuwe hôtel verkreeg den naam van den Nieuwen Doelen. Dit nu bevat onder anderen drie groote zalen, waarvan een onder den naam van de Schutters-zaal bekend is; de wanden van deze zaal waren vroeger versierd met de uitmuntend geschilderde afbeeldsels van de officieren der burgerinagt, die zich ’t meest onderscheiden hadden. Men treft er een schoorsteenstuk aan, voorstellende de wijding van het Oranje-vaandel, hetwelk, in 1660, het witte vaandel verving. Deze verwisseling had plaats ter eere van WILLEM III, Prins van Oranje-Nassau, destijds ter naauwernood tien jaren oud, en aan wien den dag waarop deze plegtigheid gevierd werd, tevens het burgerregt van ’s Gravenhage werd geschonken.
Terzelfder gelegenheid, bekleedde de Burgemeester WILLEM VAN DER DOES, Kolonel der Schutterij, den jeugdigen prins, dien men eenmaal als Koning van Engeland zou begroeten, met de versierselen van het Gulden Vlies, eene orde, waarmede Keizer KAREL V het ligchaam der burgermagt begiftigd had.
Het hôtel van den Nieuwen Doelen is tevens een der voornaamste logementen van deze residentiestad; hetzelve is ongemeen bevallig gelegen, met deszelfs voorgevel tegenover den Vijver, en aan eene andere zijde het gezigt op het Tournooiveld aanbiedende.
Sedert het begin van 1836, is in verscheiden vertrekken gelijkvloers eene Lees-Vereeniging gevestigd, welke reeds meer dan 300 leden telt, onder welke personen van hoogen rang, mannen van aanzien in staats- en andere betrekkingen, en geleerden en kunstenaars van naam.
De Vijver en deszelfs omgevingen maken een prachtig gedeelte der stad uit. Kan men iets schilderachtiger te midden van eene stad aanschouwen dan een ruime en fraaije waterspiegel, welke meer dan 280 N. ellen lang en ongeveer 80 breed is, omringd door aanvalligge lanen en schoone gebouwen? In dezen Vijver merkt men een met hout bewassen eilandje op, in de gedaante van een bouquet; men zou hetzelve ’t Zwanen-eiland kunnen heeten; immers wordt het door verscheiden dezer zoo schoone als belangwekkende vogelen bewoond.
De omgevingen of belendingen van den Vijver zijn: ten oosten, de Laan (of Gracht), de Korte Vijverberg; ten zuiden, het Koninklijke Museum en de gebouwen van het Binnenhof, eertijds het Oude Hof, deels Gothisch, deels in hedendaagschen smaak opgetrokken en eene belangvolle verzameling van gebouwen uitmakende, waaraan talrijke opmerkenswaardige herinneringen van geschiedkundigen aard verbonden zijn; ten westen twee pleinen, het Buitenhof en de Plaats geheeten; en ten noorden de wandelweg de Lange Vijverberg, welke zich waardiglijk als amphiteater ten zoom van den Vijver uitspreidt, en met vier rijen boomen beplant is, wier digt loof, in het schoone getijde, de voorgevels van de daarachter opstijgende gebouwen doet schuilen.
Het fraai gebouw, hetwelk men op den achtergrond, aan den zuid-oostelijken hoek van den Vijver opmerkt, is het voormalig Prins-Nauritshuis, thans het Koninklijk Museum. Dit hôtel, hetwelk in 1640 werd gesticht door een aanverwant van de Prinsen Stadhouders, MAURITS VAN NASSAU, bij deszelfs terugkeer uit Brazilie, alwaar hij Gouverneur geweest was, heeft nooit tot het Oude Hof behoord. De bouwtrant is van later dagteekening ; deze, mitsgaders de verdeeling van binnen, getuigen van de begaafdheid van den beroemden bouwmeester JACOB VAN CAMPEN, waaraan men mede het Koninklijk Paleis te Amsterdam verschuldigd is.
Alle vertrekken gelijkvloers bevatten zeldzaamheden en opmerkenswaardige voorwerpen, de meeste uit China en Japan afkomstig; dezelve bestaan veelal uit wapenen, voorwerpen voor huisselijk gebruik of den akkerbouw, en in de gewaden der inboorlingen van Oost-Indiè, Australie en andere ver gelegen streken; inmiddels besluit eene der zalen verschillende zaken, die ieder regtgeaard vriend des vaderlands ter harte neemt; zoo aanschouwt men er, onder anderen, de volledige wapenrusting van den onverschrokken vlootvoogd DE RUITER, het gewaad, hetwelk WILLEM I, grondlegger van Neêrlands vrijheid, den 10 Julij 1584, droeg, den dag waarop bij te Delft door Balthasar Gerards, van verfoeijelijker gedachtenis, werd om het leven gebragt! Men vindt hier zelfs het doodelijk lood, waardoor de groothartige Vorst werd getroffen, en eenige scherven van zijn verbrijzeld gebeente.

In de zalen ter eerste verdieping heeft men eene verzameling van zeer uitnemende en vermaarde schilderijen. Prins WILLEM V, laatste Stadhouder der Vereenigde Provincien, vader van Z.M. den tegenwoordigen Koning, kan als grondvester van deze keurige Verzameling van schilderstukken gehouden worden; want het was door zijn toedoen, dat men de voornaamste schilderijen bijeenbragt, welke vroeger verschillende sloten en paleizen der Prinsen van Oranje versierden; men merkte daaronder schoone voortbrengselen van het penseel van VAN DIJK, RUBENS, JORDAENS, JAN STEEN, DOUW, DE POTTER en andere Hollandsche, Vlaamsche, Italiaansche en andere meesters op. In 1770, gaf TERWESTEN een catalogus dezer verzameling in het licht; doch vervolgens werd zij door den bestuurder, den heer HAGEN, vermeerderd door aankoopen, gedaan met eenen smaak, welke grondige kunstkennis verraadt.
Bij den inval der Franschen, in 1795, werd de galerij van schilderijen des Stadhouders medegevoerd en naar Parijs overgebragt, alwaar, gedurende meer dan twintig jaren, verscheiden der meesterstukken van onze Hollandsche school op het Museum van den Louvre, de bewondering uitmaakten van de grootste kunstenaars en van alle kenners in die hoofdstad, welke men den bijnaam van ’t brandpunt der schoone kunsten heeft gegeven.
Na den slag van Waterloo werden alle deze aan Nederland ontroofde schilderwerken teruggegeven, en het aantal derzelve werd door nieuwe aankoopen vermeerderd, inzonderheid uit de Italiaansche en hedendaagsche scholen, waartoe onze wel WILLEM de Koning last gaf, al hetwelk onder de leiding en het toezigt van onzen landgenoot, den Wel Eerw. heer VAN DE KASTEELE, plaats had; zoo dat, ieder die de verzameling in de laatste jaren gezien heeft, gereedelijk zal instemmen, dat dezelve een schoon geheel uitmaakt, en dat men er stukken onder kan toonen, die, uit het oogpunt der kunst, met die der voornaamste Museums van Europa kunnen wedijveren.
De jonge kunstenaren, ween het te doen is om vorderingen te maken en zich te bekwamen, worden er, bijkans dagelijks, toegelaten.
Vermits er, in de bijzonderheden tredende, catalogussen bestaan, zoo voor de zeldzaamheden als voor de schilderijen, welke het Museum bevat, zullen wij ons onthouden hierover meer in het breede uit te weiden, hetgeen trouwens ook overbodig is voor ben, die de meesterstukken van onze groote schilders WILLEM aanschouwen en bewonderen.
Ter regterzijde van het Museum, meer achterwaarts, vindt men eene lange brug, welke naar het Oude Hof, of, zoo als men ’t noemt, het Binnenhof geleidt. Dit Binnenhof maakt als de kom van een aantal belendene gebouwen uit, in verschillende tijden gesticht. Het oudste daarvan is dat, hetwelk tot slot of kasteel verstrekte aan de Graven van Holland; hetzelve werd (van 1249-1253) door WILLEM II gegrondvest. Vóór den aanleg van dit gebouw, hetwelk eene soort van jagtslot, en tevens een versterkt punt was, hadden de Graven van Holland hunnen zetel beurtelings te Haarlem, te Leiden, te Delft of te ’s Gravezande. De opvolger van WILLEM II, FLORIS V, vestigde zich aldaar bepaaldelijk met zijn hof. Daarop deden de personen, die tot dit hof behoorden, nabij het kasteel woningen aanleggen, welk voorbeeld welhaast door de winkeliers en handwerkslieden gevolgd werd, welke door belang tot leveringen of arbeid voor het hof hier henen gelokt waren.
De Prins deed het kasteel en den omliggenden grond door grachten omringen, en waarschijnlijk heeft men bij, die gelegenheid ook den fraaijen Vijver gegraven. Daar men oudtijds den naam van Haage gaf aan alle soorten van afsluiting of omtuining eener woning, liet zij die omtuining door palissaden, opgeworpen hoogten met graszoden, het zij door eene hegge of door eene gracht geschiedde, zoo veronderstellen verscheiden schrijvers, dat de stad ’s Gravenhage daaraan haren naam verschuldigd is.
Het Binnenhof heeft drie toegangen. De hoofdtoegang is die over de brug van het Buitenhof, bijkans aan het westelijk uiteinde des Vijvers. Hen noemde deze brug in vroeger tijd de Stadhouderspoort, omdat de Stadhouders de vertrekken boven dezen toegang bewoonden, en dat zij, alleen het regt hadden zich door denzelven naar het Binnenhof te` begeven. De tweede toegang is aan de zuidzijde van het Binnenhof gelegen; hierdoor kwamen. eertijds de buitenlandsche gezanten ten Hove, en de derde toegang is door de poort welke kort bij het Museum gelegen is, en welke naar het Plein leidt.
Het grootste gedeelte der vertrekken van het Binnenhof dienen tot bureaux van verschillende ministerien; het bevat echter verscheidene schoone zalen, die, zoowel door de gedenkwaardige gebeurtenissen welke zich daaraan verbinden, als door de nationale en historische gedenkstukken welke men aldaar aantreft, onderscheiding verdienen. [in de volgende aflevering zullen wij eenige bijzonderheden, nopens de voornaamste dezer zalen mededeelen.


’s Gravenhage
vervolg van het tweede gedeelte

Alvorens wij over de gebouwen spreken, welke op de bijgaande afbeeldingen zijn voorgesteld, zullen wij, volgens belofte, eene beknopte beschrijving mededeelen van het merkwaardigste van dat gedeelte des Binnenhofs, welks achtergevel op de eerste plaat van onze vorige aflevering is afgebeeld.
Wanneer men de brug bij het Museum overgaat, heeft men verscheiden zamengevoegde gebouwen, ter regterzijde tot aan de open poort, waarin zich de bureaus van het Departement van Binnenlandsche Zaken bevinden. Wanneer men genoemde poort doorgaat, komt men in het eigenlijk Binnenhof. Dadelijk ter regter zijde, heeft men een ingang, alwaar een breede en fraaije trap naar de eerste verdieping leidt. Na het voorportaal doorgetreden te zijn, heeft men ten westen een vertrek, hetwelk tot ontvangzaal strekt; zij vormt een langwerpig vierkant, wordt door drie groote vensters, die op het Binnenhof uitzien, verlicht, en bevat, ofschoon niet met bijzonderen pronk gemeubeleerd, verscheiden schilderstukken van veel verdiensten. Men vindt er onderanderen, voor de twee schoorsteenen, die ten oosten en westen van de zaal worden aangetroffen, zinnebeeldige stukken, het een verbeeldende de Standvastigheid, het ander de Voorzigtigheid, door den beroemden PARMENTIER geschilderd; men is eveneens aan zijn penseel de fraaije zinnebeeldige voorstellingen verschuldigd, waarmede het plafond is versierd.
Aan den binnenmuur, ten neoorden van de zaal, vindt men de afbeeldingen van vijf Prinsen-Stadhouders.
In liet midden van dien muur vindt men twee slagdeuren, die in eene groote zaal, welke nog vaak de Treves-Kamer wordt geheeten, naar het vermaarde Bestand of de Treve tusschen Spanje en de Vereenigde Provincien, welke in 1609 aldaar geteekend werd.
Men verbeterde, verfraaide en vergrootte deze zaal in 1697 en vereenigde aldaar al wat de beeldende kunsten fraais kunnen voortbrengen. De bouworde is in een’ edelen, grootschen, men zou haast kunnen zeggen heerlijken stijl; liet beeldhouwwerk, rijkelijk door het verguldsel opgehaald, is meesterlijk bearbeid; de beschildering van het plafond is schitterend, vol vernuft, uitdrukking en waarheid; voorts zijn er zeer fraaije tapijtwerken.
De groote en fraaije vensters, welke ten noorden der zaal het gezigt op den Vijver aanbieden, verschaffen niet slechts een helder licht op het inwendige der zaal, maar bieden een allerbekoorlijkst gezigt naar buiten aan; kortom, het geheel is wegslepend schoon.
Er zijn in deze zaal, eveneens als in de vorige, twee schoorsteenen, die in dezelfde rigtingen geplaatst zijn; voor een daarvan, dien ten oosten, ziet men de afbeelding ten voeten uit van WILLEM III, den veroveraar en Koning van Groot-Brittannie, in groot costuum en met de koninklijke kroon op het hoofd; boven dit schilderstuk zijn de wapens van Engeland voorgesteld. Voor den anderen schoorsteen, ten westen, heeft men eene zinnebeeldige schildering, verbeeldende de Vrijheid, de Vrede en de Overvloed, door THEODORUS VAN DER SCHUUR, een kunstenaar van naam. De lijst waarin deze voorstelling omvat is, is opmerkelijk door het in hout gewerkt bloemwerk; de kunst kan, in dit vak, niets keurigers wrochten. In het bovengedeelte van de schildering zijn de wapens afgebeeld der Staten-Generaal, waaraan, door linten van de kleuren der onderscheidene gewesten, die van de zeven Vereenigde Provincien zijn gehecht.
Langs den geheelen wand, tegenover de vensters, zijn de afbeeldingen ten voeten uit van WILLEM I, MAURITS, WILLEM II, FREDERIK HENDRIK., WILLEM IV en WILLEM V, den vader van onzen geëerden Koning. De vijf eerste zijn door H. BRANDON en de laatste door ZIEZENIS geschilderd.
Her plafond is geheel beschilderd, en heeft den vorm van een gewelf; in het midden ziet men zeven maagden afgebeeld, die kringswijze zitten, ieder een schild vasthoudende, hetwelk met de onderscheiden wapens der Vereenigde Provincien versierd is; en van eene der zijden, boven de toegangdeur, merkt men in relief den eed op de Unie, kunstig geschilderd, welke door gevolmagtigden van elke der zeven provincien wordt uitgesproken; mitsgaders verschillende andere zinnebeelden, die tot het land en voorlang plaats gehad hebbende gebeurtenissen betrekking hebben.

fig3

fig5

fig6

fig4

Deze zaal strekt, sedert de oprigting van het Koningrijk der Nederlanden, tot Vergaderzaal van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.Wanneer men de beide, nu door ons beschrevene zalen verlaat, en westwaarts voorttreedt, komt men door eenige vertrekken, alwaar de bureaux van de Griffie en het Archief van de Eerste Kamer der Staten-Generaal gevestigd zijn, en daarna in eene naauwe gaanderij, welke de volle lengte heeft van de Kapel, die men uiterlijk door het kleine torentje opmerkt, hetwelk van den Vijverberg, genoegzaam regt over het Zwaneneilandje, gezien wordt.

De grondvesting van deze kapel dagteekent van het eerste bestaan van het kasteel; in 1602 werd zij aan de Gereformeerden van de zoogenaamde Walsche kerk afgestaan, en in 1642 genoegzaam geheel door brand vernield. Kort daarop herbouwd, zag men zich, in 1685, ten gevolge van den overgrooten aanwas der Walschen, door de herroeping van het edict van Nantes, gedrongen haar te vergrooten. Toen de muur aan de zijde van het Binnenhof, in 1769, bouwvallig was geworden, brak men dien tot op de grondslagen af, en bij die gelegenheid vond men verscheiden doodkisten van lood en eenige van hout, op, ijzeren roosters; de laatste behelsden niet dan beenderen; in eene der looden kisten daarentegen, vond men een in sterk water welbewaard ligchaam: ditwas het lijk van Graaf WILLEM IV.
Behalve de lijken van eenige Prinsen en Prinsessen, welke men gemeenlijk in den grafkelder van deze kapel bijzette, ontving men er ook dat van JAN VAN OLDENBARNEVELD, dat hetwelk intusschen korten tijd daarna daaruit gehaald werd, om naar de kerk zijner heerlijkheid te worden overgebragt.
Lang vóór dat het verstandig en te regt op prijs gestelde besluit van Z. M., waarbij het begraven van lijken in de kerken verboden werd, het licht had gezien, had men in deze kapel reeds niet meer ter aarde besteld; zij was, in 1807, met weinig onkosten, weder tot de Katholijke eeredienst ingerigt, die er nog in wordt uitgeoefend.
In het gebouw, dat men op den achtergrond, ter regterzijde van het Binnenhof (op de 2e afbeelding), ziet, zijn de bureaux van het Departement van Buitenlandsche Zaken gevestigd.
De ruimte, welke men voor de huizen ten westen van den Vijver opmerkt, was vroeger fraai met gras bewassen, en ofschoon het thans geplaveid is, noemt men het nog het Groene Zoodje. Deze plaats wekt zeer treurige herinneringen op, want niet slechts had aldaar langen tijd de uitvoering van de lijfstraffen plaats, maar het was hier dat, in 1872, de gebroeders DE WITT door het verwoede graauw gruwzaam vermoord werden.
Van het Groene Zoodje maakt de geheele reeks gebouwen, die op dezelfde afbeelding zijn voorgesteld, de zuidzijde uit van een driehoekig plein, de Plaats geheeten.
Men merkt hier nog eene overbouwde poort op, die oudtijds de Voorpoorte van den Hove werd genoemd, en thans de Gevangenpoort heet, welken laatsten naam zij erlangde, toen het daaraan verbonden gebouw tot eene gevangenis strekte, en welken zij heeft behouden, ofschoon het bedoelde gebouw sinds verscheiden jaren opgehouden heeft tot gevangenis te dienen. Het was hieruit dat de gebroeders DE WITT door het gepenpel werden weggesleurd, om ze aan deszelfs woede op te offeren.
In ’t midden van de Plaats béspeurt men duidelijk dat het plaveisel in kleur verschilt met dat van de andere gedeelten van het plein. De witte bevloering, in de gedaante van een zuil, welke men er aantreft. zou haar oorsprong verschuldigd zijn aan eenen moord, die hier zou geschied zijn,
tijdens de Hoekschen en Kabeljaauwschen, en men beweert dat op een’ grooten steen, die langs de grondlijn van deze bevloering gevonden wordt, ALEIDA VAN POELGEEST den dood uit de handen des volks zou erlangd hebben, hetwelk tegen haar was opgezet, wegens haar dubbelzinnig gedrag ten opzigte van een der graven van Holland.
Wij besluiten hier de beschrijving, welke aan onze vorige aflevering ontbrak, ten einde tot de afbeeldingen, tot de tegenwoordige aflevering behoorende, over te gaan.


’s Gravenhage
derde gedeelte

De afbeeldingen dezer aflevering geven de overgestelde zijde van de Straten, Pleinen, Lanen, enz., welke in onze twee vorige afleveringen zijn vervat.
Ter regterzijde, voor de Koningsbrug, aan het eind van het Korte Voorhout gelegen, treft men een keurig wachthuis aan, eerst sedert weinige jaren opgebouwd; men aanschouwt voorts in het verschiet de fraaije vlakte, de Maliebaan geheeten, waarlangs eene gracht loopt, die verder met het kanaal naar Scheveningen, aan welks voltooijing men nog arbeidt, verbonden is. De kade van de gracht wordt genoemd de Prinsessegracht, door de bank echter de Boschkant.
De rij huizen volgende, welker voorgevels men thans ziet, komt men aan de bedekte gaanderij van een Hôtel Garni, hetwelk vele groote en kleine vertrekken telt, die zeer rijk en smaakvol gemeubeleerd zijn; hetzelve wordt dan ook gemeenlijk door de legatie van een of ander vreemd gezantschap, of door eenige vermogende familie betrokken.
Iets verder, en altijd in de westelijke rigting, heeft men een aanvallig gezigt op het Smidswater, door eene gracht, die aan beide zijden met boomen beplant is, van den Nieuwen Uitleg afgescheiden. Wanneer men ter regterzijde over eene brug gaat, bemerkt men den voorgevel van ’s langs Geschutgieterij, onder bestuur van de Heeren MARITZ EN ZOON, leden eener familie die door hare uitgebreide kunde, in al hetgeen tot de Geschutgieterij betrekking heeft, zich een’ Europeschen naam verworven heeft.
Wanneer men het Smidsmater ter zijde laat, en eenige huizen langs dezelfde rij voorbijgaat, zoo komt
men aan een gebouw, hetwelk den hoek van de Paardenmarkt uitmaakt, en hetwelk het Heeren Logement is, alwaar gewoonlijk niet dan personen van onderscheiding afstappen.
De Paardenmarkt is eene wandeling welke door verscheiden rijen boomen, die met het Lange Voorhout in verband staan, gevormd wordt.
De Paardenmarkt heeft eenmaal ’s jaars, te weten den Dingsdag der ’s Gravenhaagsche Kermis, plaats.
Men ziet op de tweede afbeelding, op den achtergrond, prachtige gebouwen, welke de noordzijde uitmaken van het Lange Voorhout, eene statige laan, door eert paalwerk omringd en van afstand tot afstand met banken voorzien, terwijl aan beide zijden eene baan voor rijtuigen is.
Deze fraaije laan werd in 1536,
op last van Karel V (1) aangelegd, door de Broeders des Kloosters, hetwelk aan het ander eind van deze wandeling gelegen was, en welks kerk nog bestaat, en zelfs ten huidigen dage steeds den naam van Kloosterkerk voert, ofschoon dezelve voor de Protestantsche eeredienst strekt.
In de hoofdlaan van het Voorhout wordt de Kermis gehouden, die hier telken jare in het begin der maand Mei plaats heeft. Sedert vele jaren wordt zij door een groot aantal handelaren bezocht, die er zeer keurige koopwaren ten toon spreiden, en hare welverdiende faam lokt een’ grooten toevloed van vreemdelingen van allerwege herwaarts. Gedurende de genoegzaam veertien dagen, dat de Haagsche Kermis aanhoudt, wordt er eenwaar Lentefeest gevierd.
Twee Hollandsche dichters van de XVII en XVIII eeuwen, te weten CONSTANTIJN HUIGENS en VAN DER DOES, hebben in zeer bevallige gedichten de fraaiheden en het bekoorlijke van het Voorhoutbezongen.

fig7


’s Gravenhage
vierde gedeelte

Wij bevinden ons altijd in een der fraaiste gedeelte van ’s Gravenhage; wij beschouwen op de tegenwoordige afbeeldingen de Prinsessegracht of Boschkant, eene gracht, die langs de drie ingangen van het Bosch ligt, en welker gebouwenreeks een heerlijk uitzigt heeft.
Wij zien, aan de Noordzijde beginnende, in het verschiet, het kanaal, naar Scheveningen, hetwelk van den jare 1825-36 grootendeels afgewerkt, en op welks voltooijing men thans bedacht is. Met die voltooijing staat een ontwerp tot het bezorgen van eene uitwatering van het kanaal in zee in verband.
Langs dit, met meer moeite nog dan de oude weg door de duinen gegraven, kanaal is tevens eene nieuwe straatweg gelegd, welke bereids ten volle naar het sierlijke badhuis te Scheveningen voert. Merkbaar stijgende, en soms over den kruin der duinen, dan door de groeven derzelve aangelegd, levert deze weg ruime gezigten en schilderachtige tooneelen op. Voeg daarbij, aan de eene zijde, de lagchende, groene glooijingen van het kanaal, afstekende bij de plekken rul en geel duinzand, en weêrkaatsende in het helder water; aan den anderen kant, de ernstige, eerbiedwekkende begraafplaatsen, waaruit, meer verheven dan a somber, de witte grafsteê-woningen opstijgen, en derzelver blanke toppen uitsteken boven het geheele a landschap. Sterk is daardoor de indruk, welken deze grootsche aanleggen op den beschouwer maken, te inniger, wanneer, bij een’ zuiveren hemel, de lucht al die fijnheid heeft, welke de nabijheid van den onmeetbaren waterplas over
de zandige heuvelen verspreidt. Eene nieuwe brug verbindt de Prinsessegracht met dezen straatweg.

Van daar Zuidwaarts voortgaande, treden wij den Houtweg voorbij, zijnde eene niet onaanvallige gracht, aan beide zijden met huizen bebouwd en met boomen beplant.
Deze gracht, mitsgaders de Prinsessegracht behooren tot den laatsten, meer bepaald ondernomen grooten nieuwen uitleg van deze stad, welke in het begin van de vorige eeuw plaats had: Het was namelijk in 1706 dat de overheid goed vond nog een gedeelte van het Bosch en de Maliebaan, gelegen ten Noorden van het Klein Voorhout, af te nemen en den grond tot bebouwing van huizen te verkoopen. Deze uitlegging werd Eenige huizen verder, treffen wij terzelfder tijd met eene nieuwe gracht omgeven, en daardoor de Geschutgieterij, welke eerst buiten den Haag stond, binnen de stad gebragt.
De Prinsessegracht mag onder de statigste en welgelegenste grachten van ons vaderland gerangschikt worden; zij wordt door eene reeks van openbare of bijzondere gebouwen, meestal in een grootschen stijl opgetrokken, gevormd, die door zeer aanzienlijke personen worden bewoond. Onder de eerste hôtels, die wij, noordwaarts af komende, opmerken, is dat van den voormaligen minister van buitenlandsche zaken, baron VAN NAGELL VAN AMPSEN, bezitter eener zeer fraaije verzameling van schilderijen, meest van voorname meesters uit de Nederlandsche school; – dat van den heer staatsraad COPES VAN CATTENBURGH, tegenwoordig burgemeester dezer stad, die, door zijne onvermoeide zorg, zeer veel heeft toegebragt, om dezer residentie luister en sieraad bij te zetten, en haar, mitsgaders hare omstreken, meer en meer tot een verlustigingsoord voor inwoners en vreemdelingen te doen strekken.
Het daarneven staande hôtel, kennelijk in de afbeelding door een balcon, behoort aan
den heer staatsraad baron VAN WESTREENEN VAN TIELLANDT, die door zijne uitgebreide- letterkundige betrekkingen en reizen heeft verzameld en aldaar bijeengebragt, zijne uitgestrekte reeds zoo algemeen bekende bibliotheek, bijzonder rijkin de vakken der vaderlandsche geschiedenis, oudheid-, penning- en boekenkennis; en gewigtig door een groot aantal handschriften, waaronder van den hoogsten ouderdom; en eene allertalrijkste verzameling van de vroegste voortbrengselen der boekdrukkunst, zelfs der eerste tijden van hare beoefening; alsmede zijn uitgestrekt medaille-kabinet van antieke en hedendaagsche penningen, en eene kostbare verzameling van Egyptische, Etrurische, Grieksche en Romeinsche oudheden en voorwerpen van kunst.

Eenige huizen verder, treffen wij eene om- en overbouwde poort aan. Dit is de ingang van de kerk of synagoge der Portugesche Israëliten hier ter stede, een net gebouw, binnen ’s muurs 46 voet lang en 36 breed, met 22 grootere of kleinere vensters, hetwelk in 1726 werd ingewijd. Men heeft een’ ingang aan de zijde van de Prinsessegracht, welken wij voor ons hebben, en een in de Middelstraat, achter die gracht loopende. De laatstgemelde is de hoofd-ingang, en met een muur en hekwerk afgesloten. Op den gevel aldaar leest men het jaartal 5486, het tijdstip der inwijding naar de Hebreeuwsche jaartelling. Hét dak is schuins, doch van boven plat; op elk der vier hoeken van het lijstwerk, hetwelk rondom het gebouw henen loopt, staat eene groote ronde vaas. Het aanzien van binnen is bij uitstek eenvoudig sierlijk. De ruime voor- en achterplaatsen zijn met linden boomen beplant. Het gebouw vóór de kerk, aan de zijde der Prinsessegracht, strekt tot woning aan de kerkelijke ambtenaren. – Het getal Portugesche Israëliten beloopt thans in ’s Gravenhage 150; het was vooral aan het aanzienlijke vermogen der vroegere Portugesche Israëliten dat dit gedeelte der stad haar aanwezen te danken heeft.
Na nog verscheiden hôtels te zijn voorbijgetreden, komen wij aan eene straat, welker naam reeds de nabijheid van de Geschutgieterij aanduidt. Zij heet de Kanonnenstraat, zeker ook naar de stukken geschut, welke men er steeds in en bij ziet liggen of vervoeren. Het gebouw der Geschutgieterij maakt de zuidzijde der straat uit. Wij hebben bereids in onze vorige aflevering met een enkel woord daarvan en van de vermaardheid der bestuurders, de heeren MARITZ, gesproken. Wij WILLEM er thans in eenige bijzonderheden over treden.

Van 1589 – het tijdstip dat de nood des lands dringend de voorziening van den Staat met geschut vereischte – werd dit in het koor van de Kloosterkerk gegoten, waarbij de Staten een gebouw voor den meester-gieter hunner artillerie aankochten. Men behielp zich hiermede- tot den eersten oorlog met Engeland. In 1665 besloot men tusschen de Prinsessegracht en den Nieuwen Uitleg de tegenwoordige Gieterij aan te leggen, een der merkwaardigste gebouwen van de residentie en onder de inrigtingen van soortgelijken aard, ook elders, uitstekende. Dit gansche gebouw werd intusschen slechts in één zomer voltooid. De hoofdgevel is naar den Nieuwen Uitleg gekeerd; boven de deur ziet men het wapen der provincie Holland, met de zinspreuk Vigilate Deo confidentes (Waakt, op God vertrouwende), met nog een breedvoerig opschrift, inhoudende, dat de Staten dit gebouw gesticht hebbes tot verkrijging en bewaring van den vrede. De gevel aan de zijde van dePrinsessengracht biedt niets opmerkenswaardigs aan; doch eene derde, ter zijde van de Kanonnenstraat, heeft eene groote poort, met verschillende toepasselijke sieraden opgeluisterd. Onder de groote fornuizen, heeft men er een voor een gietsel van 50,000 pond, een ander voor 25,000, een derde van 5000 pond, benevens nog verscheiden andere. Alles is in 1770 op den tegenwoordigen voet ingerigt door JAN MARITZ, zoon van SAMUEL MARITZ, commissaris der geschutgieterij te Bèrn, en kleinzoon van JAN MARITZ, die in 1713, in Zwitserland, de kunst uitvond om de volgegoten kanonnen regtop-staande uit te boren; eene bewerking, welke in 1770 bij de Haagsche gieterij werd ingevoerd, en wel sedert 1782 in een afzonderlijk werkhuis, ten Noorden af van de Maliebaan opgerigt. Dezelfde directeur heeft deze gieterij met verschillende werktuigen tot vervoer van zwaarten, tot gemakkelijke wending van kanonnen, enz. verrijkt.

Deze achtenswaardige bestuurder, in 1807, overleden zijnde, volgden LODEWIJK ERNEST MARITZ en JAN GEORGE AMEDEUS MARITZ hem op, en vervolmaakten al verderdeze giet-inrigting. Delaatstgenoemde broeder, omstreeks het jaar 1812, met het bestuur over de gieterij van Straasburg belast, zoo bleef LODEWIJK ERNEST, eerst alleen, daarop met zijn’ zoon JAN JACOB, die van ‘s  Gravenhage besturen, welke gieterij,
sedert de gelukkige wederkomst van het Huis van Oranje, aan den Staat een verbazend aantal stukken geschut van alle caliber geleverd heeft, en welker voortbrengselen, over het algemeen, in stevigheid en duurzaamheid verre die van de Fransche gieterijen overtreffen. Wij zullen hierbij niets meer voegen, dan dat de soort van kruidmagazijn, welke deze stad vroeger achter de Kloosterkerk bezat, niet meer in dezelve werd hersteld, nadat die in 1690 door de onvoorzigtigheid van een opzigter, die er alleen den dood bij vond, in de lucht was gesprongen. Sedert heeft men niet ver van de Geschutgieterij, buiten de stad, in den Koekamp, een kruidhuis aangelegd.

fig8


’s Gravenhage
vijfde gedeelte

Als men van de Plaats of den Vijverberg afkomt, aanschouwt men, over de Gevangenpoort (zie onze 3de aflevering), eene fraaije straat met twee rijen boomen en aan beide zijden met opmerkenswaardige gebouwen; die straat wordt de Kneuterdijk geheeten; zij leidt naar het Voorhout, en diende oudtijds tot eene tournooiplaats voor de Graven.
Al dadelijk wordt onze blik getroffen door het hôtel, uitmakende den hoek van de Plaats en den Kneuterdijk; zoowel dit hôtel als het belenden huis zijn gebouwd ter plaatse, alwaar vroeger het kasteel van de Heeren van Ijsselsteijn stond.
Eveneens wordt onze blik gevestigd op het statig gebouw, den noordelijken hoek van het Hartogstraatje vormende, welk gebouw reeds in 1557 den naam van Hôtel van Brunswijk voerde. Eric, hertog van Brunswijk, bewoonde het tot 1585, het jaar zijns doods. Van dezen vorst ontleende het Hartogstraatje deszelfs naam. In 1601 kwam de graaf van Hohenlohe in ’t bezit van dit gebouw, hetwelk destijds door den hertog van Holsteim, broeder van Z. M. den koning van Denemarken, bewoond werd. Omstreeks de helft der 17de eeuw, werd het in twee hôtels gesplitst, waarvan het meest noordelijk gelegene, wóór 1672, de woning was van den Raadpensionaris DE WIT, en in onzen leeftijd van een niet minder beroemde Staatsman, den Graaf  G. K. VAN HOGENDORP.  Op den grond, waarop de belenden koetshuizen gebouwd zijn, trof men voormaals een oud gebouw aan, alwaar de abten van het voormalig klooster van Egmond zich, gedurende hun verblijf te ’s Gravenhage, ophielden.
Het groot hôtel op den hoek van het laatste dwarsstraatje,
het Heulstraatje geheeten, werd vóór 1572 door een vermogend heer, ARNOLD COEBEL, gesticht. Nadat het door den raadsheer MUNSTER was vernieuwd, hebben verscheiden vreemde staatslieden het betrokken. Vóór Hoogstdeszelfs huwelijk , heeft Z. K. H. Prins FREDERIK, het eenige jaren bewoond.
Aan de andere zijde van het Heulstraatje, heeft men het Paleis van Z. K. H. den Prins van Oranje, het uitzigt hebbende op den Kneuterdijk en het Voorhout. Nadat het in verschillende handen was overgegaan, kocht de beroemde JACOB CATS, ten jare 1630, het oude hôtel, hetwelk ter plaatse van het tegenwoordige Paleis gebouwd was; en te midden der 17de eeuw, werd er de admiraal VAN WASSENAAR eigenaar van; het hôtel bleef tot onze dagen in handen van dat geslacht, hetwelk het Vaderland zoo zeer tot eere heeft verstrekt; intusschen had de kleinzoon des Admiraals het oude hôtel doen afbreken en het nieuwe gesticht, nagenoeg zoodanig gelijk het zich nog aan ons voordoet, als een sieraad van dit gedeelte der hofstad. De tuin van dit hôtel strekt zich tot de stads wallen uit.
Het daaraan belend Hôtel van Finantiën bestaat uit drie gebouwen, welke nog tamelijk onderscheiden zijn; het middengebouw is de woning van den Raadpensionaris OLDENBARNEVELD geweest; het hótel, naast het paleis van Z. K. A. den prins van Oranje, heeft in der tijd insgelijks aan de familie der Wassenaars toebehoord; verscheiden personen van hoogen rang hebben er hun verblijf in gehad; het gebouw op den hoek van de Kloosterstraat dagteekent reeds van het midden der 14de eeuw.


’s Gravenhage
zesde gedeelte

De Kloosterstraat leidt naar eene fraaije laan, het Nachtegaalspad geheeten, welke op den stads-wal uitkomt. vóór weinige jaren nog had men, aan het eind dezer straat, eene soort van poort; dezelve is afgebroken. Buiten de Kloosterstraat heeft men, vroeger, een kruidmagazijn gehad. In het begin der 17de eeuw gebouwd, sprong hetzelve, in 1690, door achteloosheid eens beambten, in de lucht. De grond geëffend zijnde, heeft men er stallen op gebouwd.
De Kloosterkerk behoorde tot een Dominikaner-klooster. De tuinen daarvan strekten zich tot den Denneweg uit. De gravin MARGARETHA van Kleef, gemalin van ALBERT van Beijeren, stichtte dit klooster en de daarbij behoorende kerk, alwaar zij in den aanvang der 15de eeuw werd ter aarde besteld. Jan van Beijeren, Alberts zoon, de oom en vervolger van de ongelukkige JACOBA, is er almede begraven.
Vóór den Spaanschen krijg, werden de archiven der Staten in dit klooster bewaard. Tijdens de onlusten, werden zij naar Delft overgebragt. Daar de Staten later het klooster niet hadden kunnen inrigten, om er hunne vergaderingen te honden, werd het gróotste gedeelte daarvan, in 1583, afgebroken. Omstreeks het midden der volgende eeuw, strekten de overblijfselen er van om een aantal Fransche vrouwen te huisvesten, die de godsdienst-vervolgingen onder LODEWIJK XIV ontweken waren. Verscheiden kapellen van edele geslachten, mitsgaders het praalgraf van de stichteres dezes kloosters en andere opmerkelijke gedenkstukken verdwenen uit de kerk, bij liet afbreken van het klooster. Niet lang geleden heeft de kerk, waar de koninklijke familie dikwijls de dienst bijwoont, zoowel in- als uitwendig, vele verbeteringen ondergaan; onder anderen is in ’t midden een derde gothische ingang gebouwd.
Gedurende de onlusten, waarvan wij boven gesproken hebben, werd deze kerk deels tot eene geschutgieterij, deels tot een arsenaal ingerigt. Wat het koor betreft, behield zij deze, aan hare oorspronkelijke bedoeling geheel vreemde, bestemming, tot in 1665; liet schip van de kerk werd vroeger aan de H. dienst teruggegeven, en wel in 1617, toen de Gerefornieerden, van kerken ontbloot, er voor hunne Godsvereering bijeenkwamen; de Prins Stadhouder woonde daarin de dienst bij, welke er sedert geregeld in gehouden werd. Eene kleine toren verheft zich boven het koor.
Behalve het Dominikaner-klooster, waaraan deze kerk haar bestaan verschuldigd is, had men in ’s Gravenhage slechts kloosters van geestelijke zusters. De broeders uit het eerste hebben ,in 1536, het Voorhout aangelegd.
Als wij onze wandeling voortzetten, komen wij langs het gebouw, waarin het Magazijn der geneesmiddelen voor liet leger gevestigd is; langs het Begijnenstraatje en het kantoor-generaal der loterijen, en aldus bevinden wij ons op liet midden van de reeks prachtige gebouwen, welke den noordkant des Voorhouts uitmaken, en welke wij in eene volgende aflevering verder bezoeken zullen.

fig9

fig10


’s Gravenhage
zevende gedeelte

Wij bevinden ons altijd op onze wandeling langs het Voorhout, een der voornaamste sieraden van het gewezen – eerste dorp der wereld.- Reeds meer dan eene eeuw geleden heeft eene beroemde vreemdelinge (Lady MONTAGUE) het Voorhout bijgebragt als het Hyde-Park en Mall der aanzienlijke lieden, en een Hollandsch dichter, die onze fraaije hofstad bezongen heeft (VAN DER DOES), doet aan een landmeisje, dat zich in ’t midden van het Voorhout bevindt, vragen:

-……. Met oorlof dat ik vraag, –
– Goeman, wijst mij toch , waar gaat men naar den Haag ? –

Het gebouw, waarvan wij thans meer bijzonderlijk dienen te gewagen, is dat waarin zich de koninklijke boekerij bevindt. Hetzelve heeft in der tijd tot hôtel der prefectuur gediend, en vervolgens, gedurende eenige maanden, tot paleis van Z. M. den Koning. De gemelde boekerij telt ongeveer 100,000 boekdeelen, met de grootste zorg onderhouden. Men vindt er de zeldzaamste drukken en de kostbaarste handschriften; onder anderen, het oorspronkelijke van de Unie van Utrecht, den 23 Januari 1579, in die stad geteekend. Over het algemeen is deze boekerij rijk aan bouwstoffen voor de vaderlandsche geschiedenis en letterkunde. Zij is, behalve op Feestdagen, drie malen ’s weeks, Zondags , Woensdags en Vrijdags, van 10 ure ’s ochtends tot 2 ure namiddags, voor het publiek open gesteld.
In hetzelfde gebouw, merkt men nog op het kabinet der medailjes, bevattende meer dan 34,000 stuks. Dit is eene der keurigste verzamelingen welke in dit vak bestaan. Inzonderheid wordt de aandacht geboeid door eene collectie Egyptische munten, met de beeldtenissen der koningen van dat land, en op eene andere collectie, die van de koningen van Macedonië, PHILIPUS en ALEXANDER, en de opvolgers van den laatsten, krijgshelden bij zijn leven, koningen na zijn’ dood. Dit kabinet, mitsgaders de boekerij, bieden eene schoone vereeniging van penningen en munten aan, rakende de vaderlandsche geschiedenis, en reeds verscheiden stukken, onder de regering van WILLEM I geslagen, zijn aldaar ten toon gespreid. De geleerde geschiedboeker en penningkundige, de heer J. C. DE JONGE, heeft eene Beschrijving van dit kabinet geleverd.
Ook deze verzameling is voor het publiek opengesteld, en wel Maandags en Vrijdags van elke week, op dezelfde uren als de boekerij.


’s Gravenhage
achtste gedeelte

Wij bevinden ons nog in het Voorhout. Men kan hieruit afleiden hoe uitgebreid deze wandeling is, die bijkans tot in het hart van den Haag loopt. Wij hebben voor ons de Oostzijde.

Ter linkerhand afgaande, merken wij op het hótel, bijgenaamd dat van Hope, in eenen fraaijen trant gebouwd, en nog fraaijer gelegen, daar het op de geheele lengte aan de laan des Voorhouts uitziet.

fig11

fig12

fig13

fig14

fig15

fig16

Dit hôtel wordt thans bewoond door Z. Exc. den Minister van Buitenlandsche zaken, den heer Baron Verstolk van Soelen, die er eene zeer rijke verzameling schilderijen vereenigd heeft, vooral uit de oude’ vaderlandsche school.

Men herinnert zich, dat Napoleon dit botel had betrokken bij zijn bezoek aan ’s Gravenhage.

Onzen weg vervolgende, zien wij eene groote ruimte met boomtn beplant, waar eenmaal ’s jaars, den Dingsdag van de kermis, eene paardenmarkt wordt gehouden. Men heeft er een fraai gezigt op het Voorhout, op de prachige gehouwen , waarmede het is omringd, en op de belenden de pleinen.

Het laatste gebouw ter regterzijde van het Voorhout, is het Heeren Logement, vlak over den Schouwburg, een der meest bezochte openbare hôtels, aangenaam bij den fraaisten toegang tot den Haag, gelegen.

Wij hebben altijd eene der schoonste gedeelten van de Residentie voor ons, welke vreemdelingen met den naam van Florence van het Noorden begroet hebben.

Wij bevinden ons nog steeds op de Prinsessegracht, eene prachtige kade, waarop belangwekkende, zoo openbare als partikuliere, gebouwen voor ons oog oprijzen, en welke gelegen is over het Park. Dit laatste is sedert twee jaren, volgens een geheel nieuwen aanleg, beplant, vereenigende digt bewassen geboomte, kleine boschaadjen, schoone gezigten en eene aanvallige vlakte, als voor de helft in de stad en voor de helft in het bosch bevat, waarvan dit Park, gemeenlijk Koekamp geheeten, een afzonderlijk deel uitmaakt.
Herten zetten aan dit bekoorlijk landschap leven bij, hetwelk eene der meestbezochte wandelingen van de stad uitmaakt.

Gelijk wij gezegd hebben, loopt de Prinsessegracht langs den Koekamp; de gracht is vrij breed.

Wanneer men door de groote boschlaan komt, ziet men op den boek van de kade een prachtig hôtel, dat van Meerman bijgenaamd, omdat het door de geleerden van dien naam bewoond werd. Wij hebben er reeds in eene vorige aflevering van gewaagd. Wij zien na den fraaijen voorgevel van dat hôtel. Men erkent, dat hetzelve waardig was de groote letterschatten te besluiten, welke de beroemde geleerden Meerman er ver, gaderd hadden, en waarvan gelukkiglijk een gedeelte voor het Vaderland is behouden gebleven.

Daarna gaat men onderscheiden bijzondere hôtels, alle meerder of minder prachtig, voorbij.

Alvorens men aan de dwarsstraat, de Casuarie- of Sterlingstraat komt, merkt men eene ruimte op, slechts door een’ kleinen muur besloten. Voorheen stond hier het hôtel van de Fransche ambassade, hetwelk den 27 Maart 1782 door een’ vreesselijken brand verwoest werd. Van dit gebouw is genoegzaam niets dan de kapel overgebleven, waarvan de ingang zich in de Casuariestraat hevindt, en waaruit men het grootsche van dit gebouw kan opmaken.
Aan den anderen kant van de Prinsessegracht en de Casuariestraat ziet men een gebouw van weinig uiterlijke sierlijkheid, doch welks hecht voorkomen wel strookt met deszelfs bestemming; hierin worden de staats-archieven bewaard, men vindt er vele geschiedkundige stukken, eigen handschriften enz. van het hoogste gewigt, in de beste orde gerangschikt.

Na een hôtel van een stevig en te gelijk sierlijk uiterlijke te zijn voorbijgegaan, bevindt men zich aan het statig gebouw, alwaar de Koninklijke Muzijkschool dezer Residentie, alsmede de Akademie voor Teeken- en Bouwkunst zullen worden gevestigd en welke eene nieuwe zaal voor, tentoonstellingen van schilderijen bevat. Eerst vóór drie jaren (in 1837) is men met den opbouw daarvan begonnen; en, gelijk men op de bijgaande afbeelding- ziet, biedt dit gebouw reeds voor het publiek een allerbelangrijkst gezigt op. Het Journal de la Haye, dezer dagen gewagende van dien tempel, aan de wegslependsten der kunsten gewijd, liet zich te regt op de volgende wijze uit: ‘Ontdaan van de getimmerten en overblijfselen van den opbouw, welke hetzelve omgaven, kunnen de ingewijden in de bouwkunst opmerken, welk eene groote partij de kunstenaar heeft welen te trekken van de moeijelijke plaats, die men hem aangewezen had. De stijl van het gebouw is zuiver en streng; het is geenszins eene dier zamenstellingen zonder naam, waarin alle stijlen van bouwkunst dooreengeworpen zijn, de Moorsche en de Grieksche, de Roomsche en de Bizantijnsche, ja de middeleeuwsche bouwtrant; het is een werkstuk, naar de beginselen van de goede school gewrocht en hetwelk ontwijfelbaar eere zal aandoen aan den heer Reijers.’

Als men de brug aan het einde van de Prinsesse-gracht overgaat, bevindt men zich op den Bezuidenhout, een zeer schoonen weg, aan eene zijde slechts met gebouwen bezet, waaronder vooral het hôtel Bellevue, hetwelk te regt dien naam voert, daar het een bekoorlijk gezigt geniet op den Koekamp en de nieuw aangelegde werken, waarvan wij hierboven gesproken hebben.

fig17

fig18

fig19

fig20

Over Harry 10 Artikelen
Werk al vanaf 1999 met heel veel plezier aan de website www.Haagsefotos.nl een site die een beeld geeft van Den Haag en omgeving.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*